woensdag 25 maart 2015

... ga ik voor een tien!

Een tien. Het hoogste cijfer van de klas, misschien samen met iemand anders die ook een tien had. Maar dan nog steeds: een tien. Beter kan niet. Ik droomde vroeger van tienen, van proefwerkblaadjes waar geen rode pen aan te pas was gekomen. Ik deed er in de eerste jaren op de middelbare school mijn best voor, en zo nu en dan kreeg ik er één. Een tien kwam nooit alleen. Hij werd begeleid door een hand van de docent, een sticker of een uitroepteken achter het cijfer. Met een tien op zak was je voor je klasgenoten de held of de uitslover, je was in ieder geval even in beeld. En na school nam je je toets mee naar huis. Mijn tienen bewaarde ik, in een map, en ik denk dat ik niet de enige ben die dat deed.

Ik zou zo graag een keer een tien geven, een proefwerkblad in zijn waarde laten, een plek in een bewaarmap bemachtigen, tussen het zelfportret voor tekenen en de staartdelingen van de rekentoets. Dat leerlingen later met gepaste trots terugkijken op hun prestaties bij Nederlands, terugdenken aan dingen die ze gedaan en misschien wel geleerd hebben. En misschien wel even terugdenken aan hun docent Nederlands. Mijn tien voor Latijn is onlosmakelijk verbonden aan het moordende tempo waarin onze docent de woordjes voorlas – er stond niets op papier of op het bord. Ik kon het tempo bijbenen, omdat ik alleen de eerste en laatste letters opschreef. Ik was een week lang zo verguld met mijn tien, dat ik voor de andere toetsen niet kon of wilde leren, maar dat maakte me ook niet uit. Een tien voor Latijn zou niemand me ooit nog afpakken.

Als ik nu een toets nakijk, lijk ik nog het meest op een doorgewinterde supporter van Feyenoord, al zoveel jaren wachtend op een kampioenschap. Ik juich met twee handen in de lucht als de eerste vijf antwoorden goed zijn en maak wegwerpgebaren als een leerling met de finish zicht zijn eerste en enige fout maakt. Als er maar enigszins een mogelijkheid bestaat om de tegenstander, het antwoordmodel, te beïnvloeden, dan grijp ik mijn kans. Ik duik als een onderzoeksjournalist de boeken in, op zoek naar een bewijs voor het antwoord dat de leerling gaf. Tot nu toe heb ik de strijd altijd verloren, maar als een echte supporter blijf ik achter mijn doel staan. Er moet en er zal een tien gaan vallen. Ik voel dat er de eerste eraan zit te komen.

zaterdag 14 maart 2015

... heb ik de ruimte.

Als ik profvoetballer geweest was, speelde ik nu op de toppen van mijn kunnen. Ik weet niet of ik goed zou zijn en waar ik zou spelen, maar ik weet dat dit één van mijn beste jaren zou zijn. Ik haalde alles eruit wat erin zat, in de wetenschap dat het de komende jaren alleen nog maar achteruit zou gaan. En wat zou ik moeten doen als mijn carrière erop zou zitten? Zou ik nog ergens goed in kunnen worden, ooit? En zou ik het dan net zo leuk vinden als voetballen? Op school ben ik gelukkig nog een beginner. Ik ben een jonge profvoetballer die net zijn eerste echte contract getekend heeft. Ik ben gedreven, wil zoveel mogelijk speeltijd en laat geen kans onbenut om dat te laten zien. Ik train hard, soms te hard, en ik schik me in elke rol of positie op het veld. Wel weet ik, nu ik een paar jaar bij de selectie zit, steeds beter waar ik me graag op zou willen richten, wat mijn kwaliteiten zijn. Een profielschets, zo zou Louis van Gaal het noemen.

Volgens mij moet ik het hebben van mijn instelling. Ik heb geen fluwelen techniek, laat vaak ballen van mijn voet springen, maar door mijn inzet kan ik dat soms een beetje verbloemen. Ik houd altijd de moed erin, zoals de spelers die je na een zoveelste tegengoal wild om zich heen ziet klappen. In het veld coach ik fanatiek, maar positief. Iedereen mag fouten maken, al ben ik voor mezelf wel eens te streng en voor mijn medespelers te begripvol. In de opbouw draag ik mijn steentje bij: ik heb oog voor mijn medespelers en probeer iedereen bij het spel te betrekken. Toch ontbreekt het me geregeld aan een goed overzicht. Ik ben onrustig aan de bal, heb veel balcontacten nodig, waardoor ik niet alles over- en doorzie wat er om me heen gebeurt. Ook als ik voor de goal kom, kan het nog stukken efficiënter, al gaat dat steeds beter. Ik kies niet altijd meer voor de moeilijke oplossing, geef steeds vaker de bal breed zodat iemand anders de klus kan klaren. Als ik de ruimte heb, kan ik profiteren van mijn snelheid. Wel worden mijn acties langzaamaan steeds minder verrassend; daar moet ik aan werken. Tot slot heb ik een goede voorzet in huis, al is die soms wel wat lang onderweg, waardoor hij gemakkelijk onderschept kan worden.

De komende jaren ga ik meer over mezelf ontdekken, en hopelijk steeds beter worden, in kleine stappen, zodat het nooit ophoudt en ik nooit hoef af te bouwen.

zondag 8 maart 2015

... krijg ik een nieuwe kans.

'My name is Alexandra', zei Alexandra. Ze sprak zacht en voorzichtig, alsof ze eigenlijk een andere naam had. 'I am Mike', zei ik overdreven gearticuleerd. Om me heen was het stil. Iedereen keek naar elkaar en naar de ouders die klaarstonden om hun kind en diens gast naar huis te brengen. De leerlingen uit Polen hadden net een lange busreis achter de rug en leken nog geen trek te hebben in de laatste kilometers. De reis was voorlopig geeindigd in Tilburg, een onbekende stad in een onbekend land. In het centrum van die stad stond een oud gebouw waar wij elke dag naartoe fietsten en waar wij elke dag onze lessen volgden. De Polen keken hun ogen uit. Ze hadden nog nooit zoveel fietsen bij elkaar gezien. Zij gingen met de bus naar school; één van hen kon fietsen. Hun schoolgebouw was een keer of drie groter, het aantal leerlingen was ongeveer gelijk. Op hun school was er geen catering. Op hun school waren er geen sportvelden. Op hun school waren er geen kluisjes. 

In de loop van de week wilden we een beetje kunnen roddelen over onze gasten. We wisten dat we dat niet in hun bijzijn konden doen, dat dat onbeleefd was, maar wij hadden allemaal zoveel gezien, gehoord, meegemaakt, dat we ons niet konden inhouden. Zo was er een Poolse gast van de bagagedrager gevallen, had iemand anders zijn Pool gekke dingen zien eten en was er een Pool die onder de les in slaap was gevallen. Dat waren wetenswaardigheden waar iedereen van ons van op de hoogte moest zijn, zo vonden wij. We vervingen derhalve het woord Pool voor het woord fiets en brachten te pas en te onpas verslag uit van de strapatsen van onze buitenlandse gasten. Alexandra, die we na een dag of wat Ola mochten noemen, kwam ook aan de beurt. Op een avond leek ze behoorlijk dronken te zijn. Ze zwalkte een beetje en sprak wat luider dan ze tot dan toe deed. Een vriend van mij maakte mij erop attent. 'Je fiets is dronken, man, kijk.' Ik lachte en keek, recht in Ola's ogen. Die logen er niet om. Ze had de boodschap begrepen.
  
Met knikkende knieen stapte ik uit de bus. Ik zocht naar de ogen van Ola. Zou ze nog boos zijn? Sinds de genante gebeurtenis in Tilburg had ze niks meer tegen me gezegd, en ik niet tegen haar. Ze nam me vast vanalles kwalijk; gelijk had ze. Ik had mijn excuses moeten aanbieden, op zijn minst voor mijn schaapachtig gelach maar eigenlijk voor alle keren dat ik zelf het woord fiets gebruikt had. Nu ging dat niet meer, nu waren we in een andere omgeving, in haar omgeving, de afstand naar de gebeurtenis was te groot geworden. Ik moest het nu maar over me heen laten komen. Ola stond vooraan in de menigte wachtende leerlingen en docenten. Ze lachte. Ik realiseerde me dat ik haar voor het eerst zag lachen. Ze zwaaide vrolijk. Achter haar stond een man die niet op haar leek maar wel overduidelijk haar vader was. Ook hij zwaaide. Ik snapte er niets van. Ergens was ik opgelucht, maar tegelijkertijd vreesde ik een afstraffing, een week vol zorgvuldig voorbereide wraakacties. 

De week vloog voorbij. Ik genoot van alle momenten in Polen. Ondanks de totaal andere cultuur heb ik me zelden ergens zó welkom gevoeld, ben ik niet vaak met meer warmte benaderd dan in Czechowice, bij Ola en haar ouders. Ze hadden het bepaald niet breed, konden zich weinig veroorloven, maar ze probeerden er steeds weer voor te zorgen dat ik me op mijn gemak voelde. Dat dat niet altijd lukte, had te maken met het contrast tussen Ola's gastvrijheid en mijn gebrek eraan, dat in mijn hoofd almaar groter werd. Ik schaamde me, met terugwerkende kracht, steeds meer voor mijn egocentrische houding in Nederland. Toen ik aan het einde van de geweldige week afscheid nam, bood ik alsnog mijn excuses aan voor die ene avond. Ola zei dat ze het allang weer vergeten was, dankzij de leuke week in Polen. Hopelijk was dit inderdaad zo. Toch ging ik met een dubbel gevoel naar huis. Ik wenste dat ik die eerste week nog eens over mocht doen.

Morgen komen er 23 leerlingen en drie docenten uit Augsburg naar Nederland. Mijn wens gaat in vervulling.