zondag 6 september 2015

... wil ik flipperen.

Mijn middelbare school had op het schoolplein muurtjes om op of tegenaan te zitten. Als ik een tussenuur had, maar vaker nog als ik uit was, ging ik met wie wilde(n) tegen een muurtje zitten. En dan bleven we net zolang als nodig, meestal net zolang als kon. We praatten zoals andere mensen praten als ze wandelen: als vanzelf, ongedwongen, ongeremd. Met onze ruggen tegen hetzelfde muurtje. In de pauze zat iedereen tegen een muurtje. Daar was geen kunst aan. Na school was het bijzonderder. Soms wachtten we op iemand die nog niet uit was. Die zag ons dan zitten, vanuit het lokaal. Soms wachtte ik in het lokaal op het muurtje, heimelijk uit het raam kijkend, zwaaiend naar beneden.

Ook op mijn huidige school staan er muurtjes op het schoolplein. Ze worden volop gebruikt, zij het vooral in de pauzes. Leerlingen kletsen er, zoals wij dat ook deden. Ik zou er wel eens bij willen zitten, nieuwsgierig als ik ben naar gesprekken die het klaslokaal niet halen. Toch wil ik het ook weer niet. Het zou ongepast voelen, ten opzichte van de leerlingen en mijn oud-klasgenoten, die ook niet meer tegen een muurtje zitten, denk ik. Bovendien heb ik leerlingen niets te vertellen. Ik woon in een appartement in een voor hen onbekende stad. Daar doe ik de was, maak ik eten en geef ik de plantjes water, als het niet geregend heeft. Ik werk, ik heb het voor hen meest onvoorstelbare beroep ter wereld. Ik weet niet wat sqeer betekent – laat staan hoe je het schrijft – en ik heb geen Instagram.

Maar toch, om nu na mijn laatste uur direct naar huis te gaan… Liever loop ik nog even langs een paar lokalen, in de tweeledige hoop er spullen van mij en collega’s aan te treffen. In de lerarenkamer kijk ik zogenaamd of er nog iets in mijn postvak gelegd is en ik eindig de tour in de gang waar het computerlokaal is. In het computerlokaal staat een flipperkast, een heel mooie, met overal kleuren en lampjes. De kast is ge├»nstalleerd door leerlingen, die er een space-programma in hebben gestopt. Hoe zoiets kan is me een raadsel; ik heb besloten het maar als een wonder te zien en me te richten op mijn spel. Met een collega, niet toevallig docent informatica, heb ik er vorig jaar wat afgeflipperd, vaak na het vijfde lesuur, tussen drie en vier uur. Hij won altijd ruim, omdat hij precies wist wat hij deed. Ik was blij als hij af en toe goedkeurend knikte bij lampjes die door mijn toedoen gingen branden.

Dit jaar hebben we nog niet geflipperd, jammer genoeg. Na het laatste uur zitten we vaak achter onze laptops lessen voor te bereiden. Soms ben ik al op weg naar huis. Terwijl ik zou willen flipperen, niets liever dan flipperen. Om de schooldag af te sluiten, positieve en ingewikkelde ervaringen van me af te flipperen. Beste collega, als je dit leest, laten we snel weer gaan flipperen! Of desnoods tegen een muurtje zitten.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten